Graddy Boven

Diep onder zee. De geschiedenis van de onderzeeboot (325 v.Chr. - 1900).

isbn: 978-90-59118-87-4  
uitgever: Aspekt, Soesterberg  
jaartal: 2010
druk:  
 
162 pag., paperback, zwart-wit foto's, € 18,95.
www.uitgeverijaspekt.nl

Aan het eind van 1869 publiceert Jules Verne (1828-1905), de grote ziener, het boek Twintig duizend mijlen onder zee dat hem onsterfelijk zal maken. Met dit werk bewijst Verne eens te meer dat uitvindingen waarvan iedereen denkt dat deze onuitvoerbaar zijn later toch realiseerbaar blijken te zijn. Dankzij de Nautilus bereikt de onderzeeboot haar status van onaantastbaarheid.

In Diep onder zee wordt de ontwikkeling van het onderwaterschip gevolgd vanaf het moment waarop Alexander de Grote (356-323 v. Chr.) zich in de Perzische Golf in een glazen ton onder water laat zakken, waarna vindingen en innovaties van onder andere Leonardo da Vinci (1452-1519), Jan Adriaansz. Leeghwater (1575-1650), Cornelis Jacobsz. Drebbel (1572-1633), Giovanni Alfonso Borelli (1608-1679), David Bushnell (1742-124), Robert Fulton (1765-1815), Horace Lawson Hunley (1823-1863), Gustave Zédé (1825-1891), Claude Désiré Goubet (1838-1914), John Philip Holland (1841-1914) en Simon Lake (1866-1945) volgen. Eindpunt van dit boek ligt in 1906. Vanaf dat jaar start de periode waarin het persoonlijke initiatief plaats maakt voor fabrieksmatige bouw van onderzeeboten als uitvloeisel van een steeds meer technisch-wetenschappelijke benadering.

De onderzeeboot, duikend en stijgend volgens de wet van Archimedes van Syracuse (287-212 v. Chr.) is een onder water varend zeemonster die haar aantrekkingskracht nimmer zal verliezen en een rijke schare van trouwe fans kent. Vreemd genoeg is de beschrijving van haar ontstaansgeschiedenis in publicaties steeds incompleet gebleven. Diep onder zee maakt aan die incompleetheid een einde en mag alleen al daarom in geen enkele maritieme bibliotheek ontbreken.



recensie

Elly Meijn

Volgens Graddy Boven zijn ‘Onderzeeboten onder water varende zeemonsters omgeven door mysteries en militaire geheimen. Dat verklaart hun grote aantrekkingskracht op mensen.’ Als je aan dit boek begint, kun je ook niet anders dan tot het einde doorlezen. Het eerste hoofdstuk wijdt de schrijver aan de alom bekende Jules Verne en zijn onderwaterwereld. Hoe hij in de zomer van 1858, hij is dan 30 jaar, aan de Seine stond en zag hoe de Amerikaan Hallelt met het duiktoestel Nautilus duikproeven deed. Het maakte een onuitwisbare indruk op hem en in zijn hoofd ontstond het idee voor zijn unieke boek Twintig duizend mijlen onder zee (1869), geïllustreerd door Edouard Riou. Naderhand zouden er zelfs ingenieurs zijn die bij het ontwikkelen van hun onderzeeboten gebruik maakten van de gegevens in dit boek. Maar de geschiedenis van de onderzeeboot begint in 325 v. Chr. met de primitieve duikerklok van Alexander de Grote. Volgens overlevering wilde Alexander weten hoe een walvis zwemt en er in zijn geheel uit ziet. In hoofdstuk 2 - vanaf Alexander de Grote tot 1574 - worden de eerste experimenten besproken. Ook Leonardo da Vinci wordt in deze periode genoemd. Van Jan Adriaansz. Leeghwater (geboren in 1575) – bekend van het droogmalen van waterrijke gebieden – is minder bekend dat hij een steentje heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van de onderzeeboot. Met zijn uitvinding waterconste (1605) blijft hij drie kwartier onder water. De vraag is namelijk al heel oud: hoe kun je het verblijf onder water verlengen? De geboorte van de onderzeeboot vindt plaats tussen 1607 en 1679. In 1603 is Jacobus I in Engeland op de troon gekomen en heeft grote interesse in technische innovaties. Hij komt in aanraking met Cornelis Drebbel. Deze wetenschapper uit Alkmaar denkt niet alleen na over de onderzeeboot, maar weet zelfs drie onderzeeboten te bouwen. En de ontwikkeling blijft doorgaan en zeker niet alleen in Nederland. In 1772 bouwt een Franse uitvinder een onderzeeboot die niet alleen aangedreven wordt met roeiriemen, maar ook een luchtinstallatie aan boord heeft. In 1776 zetten de Amerikanen zelfs een onderzeeboot, de Turtle, uitgevonden door David Bushnell, in tegen de vijand. In 1850 heeft de boot van Phillips, een Amerikaanse schoenmaker, de vorm van een sigaar en kent ballasttanks. Maar ook deze onderzeeboot is niet succesvol. De competitie blijft echter voortduren. En de boten krijgen steeds meer de vorm van de tegenwoordige onderzeeboot. Voor 1900 waren het echter vooral persoonlijke initiatieven die leiden tot het bouwen van een onderzeeboot. Maar na 1900 werd het onderzoek meer in technisch-wetenschappelijke banen geleid. Het boek eindigt met de onderzeeboot van het Holland-type, de Luctor et Emergo, die op 21 december 1906 officieel in dienst wordt gesteld bij de Nederlandse Koninklijke Marine. De verhalen over al deze uitvinders en de afbeeldingen van hun uitvindingen zijn zeer onderhoudend. Vele experimenten bleken niet succesvol en veel ideeën zijn ook nooit uitgevoerd. Maar veel mensen houden van onderzeeboten, hoe destructief ze ook kunnen zijn. Voor hen geeft de techniek en het ‘indrukwekkend zijn’ de doorslag. Deze mensen kunnen hun hart ophalen in dit boek.

Terug naar overzicht boeken van deze schrijver