Graddy Boven

Gedenkwaardige geschiedenissen. De avonturen van Frederik van Vervou, hofmeester in dienst van stadhouder Willem Lodewijk.

isbn: 978 94 6153 192 6
uitgever: Aspekt, Soesterberg  
jaartal: 2014
druk:  
 
338 pag., € 22,95.
www.uitgeverijaspekt.nl

In 1584 wordt Willem van Oranje (1533-1584) door de Fransman Balthasar Gerards (1557-1584) vermoord. Met het wegvallen van de vader des vaderlands lijkt de bodem onder het verzet tegen Spanje weggevaagd. Het tegendeel blijkt waar. Maurits van Oranje (1567-1625) volgt zijn vader op en weet, mede dankzij de gelijkgestemdheid van zijn neef Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg (1560-1620), het militaire bedrijf volledig te moderniseren. Tegen die achtergrond beleeft Frederik van Vervou (1557-1621) zijn avonturen die hij vastlegt in zijn dagboek Gedenckweerdige Geschiedenissen. Levendige tekst over de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) waaronder enkele voorname maritieme aanknopingspunten. Vervou schaart zich op jonge leeftijd aan de zijde van de opstandelingen en sluit zich vol overtuiging aan bij de watergeuzen onder leiding van Willem II van der Marck, heer van Lumey (1542-1578). Er ontstaat een hechte vriendschapsband tussen de twee. Aan de zijde van Lumey maakt Vervou veel mee en schrijft over de inname van Den Briel (1 april 1572) en de slag op de Zuiderzee (11 oktober 1573). Nadat op 1 mei 1578 Lumey in zijn armen is gestorven, verlaat Vervou het radicale geuzenkamp. Hij komt in het leger van Willem Lodewijk terecht en sluit vriendschap met hem. Vanuit een sterke vertrouwensband benoemt Willem Lodewijk hem in 1596 tot zijn hofmeester. Die unieke positie stelt Vervou in staat om enkele grootheden te ontmoeten. In september 1601 maakt Vervou in Rotterdam kennis met Olivier van Noort (1558-1627). Van Noort is in september 1598 aan zijn reis om de wereld begonnen en is op 26 augustus 1601 in Rotterdam teruggekeerd. Gefascineerd hangt Vervou aan zijn lippen en luistert naar zijn bijna ongelooflijke verhalen vol ontberingen.

In augustus 1602 brengen drie Indische gezanten uit Atjeh (Achin) een bezoek aan het legerkamp van Maurits bij Grave. De gezanten zijn daar met een reden. Nederland heeft grote moeite om vaste voet in Indiё te krijgen. De daar aanwezige Portugezen stellen de Nederlanders met succes in een kwaad daglicht. Om hun sympathie te winnen, is het gelukt om de sultan van Atjeh in het noorden van Sumatra te bewegen om een gezantschap naar Nederland te sturen. Zij willen dat de Athejers met eigen ogen kunnen zien dat de Nederlanders een proper en net volk zijn. Maurits en Willem Lodewijk geven de gezanten een warm onthaal in hun legertent. Vervou, die aanwezig is, is onder de indruk van hun verschijning en neemt hen van top tot teen op. Zij hadden een huidskleur zoals de gele moren die hebben. Zij droegen lange rokken tot onder de knie. Het waren witte zijden rokken die over een tweede werd gedragen. Op hun heup droegen zij een ponjaard. Via een tolk heb ik hen aangesproken en zij spraken via dezelfde tolk terug. De gezanten wilden geen kippenvlees eten of andere soorten vlees. Wat zij wel wilden was de dieren zelf doden, ze zelf bereiden om het vlees vervolgens op te eten.

In juli 1604 meldt vice-admiraal Jacob van Heemskerck (1567-1607) zich bij Maurits en Willem Lodewijk voor Sluis. Hij is daar met een bedoeling. Op 25 februari 1603 heeft de vice-admiraal uit naam van Wybrandt van Warwijck (1570-1615) in de Straat van Malakka drie schepen, waaronder de Portugese kraak Santa Catharina met zijde en porselein aan boord, buitgemaakt. Na zijn terugkeer in juli valt hem een prijzengeld van 31000 gulden ten deel en krijgt een erebeker ter waarde van vijfhonderd gulden uitgereikt. De veroverde lading is zeer kostbaar en moet verkocht worden. Juist de verkoop van de goederen levert gedonder op, waardoor Isaac Lemaire (1559-1624), één der eerste leden van de Heren XVII van de in 1602 opgerichte Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), in de problemen komt. Lemaire raakt met de VOC en de kerkenraad in conflict over enige onregelmatigheden die aan de reis van Wybrandt van Warwijck kleven. De handelsmissie is volledig buiten de VOC om georganiseerd en dat heeft kwaad bloed gezet. Het onderlinge wantrouwen is groot. Lemaire, die geld in de onderneming heeft gestopt, kan de gemaakte kosten maar moeilijk verantwoorden en dat zorgt er voor dat de lading zijde en porselein onverkoopbaar is. De goederen dekken vooralsnog de kosten niet en vandaar dat Van Heemskerck, die in het kielzog van Joris van Spilbergen (1568-1620) via Delfzijl is teruggekeerd, besluit om met zijn aandeel in de buit aan de haal te gaan. Ondanks alle tegenspoed hoopt hij toch nog wat extra winst te maken en doet een poging om de lading aan het leger van Maurits en Willem Lodewijk te slijten. Oorlogshandel is immers lucratief. Door het gedonder rondom de reis van Van Warwijck, die op dat moment in Bantam zit, moeten veel investeerders te lang op hun geld wachten, waardoor grote verliezen lijden. Vol vertrouwen hebben zij hun geld in de onderneming gestoken. In totaal is er 1,7 miljoen gulden ingelegd. Ook Vervou heeft geïnvesteerd. Een persoonlijk drama! In 1609 is nog maar vijfentwintig procent van de winstdeling uitgekeerd en de zaak zal zich nog tot in 1613 voortslepen met een uiteindelijke winstmarge van vijfenzestig procent. Vervou meldt niet of hij uiteindelijk nog geld aan de onderneming van Van Warwijck heeft overgehouden en zwijgt in alle talen.









Terug naar overzicht boeken van deze schrijver